Met zelfregulerend leren kun je een leven lang vooruit
Iedereen kent ze wel: leerlingen die met twee vingers in hun neus de school doorlopen. Maar vroeg of laat lopen ze tegen grenzen aan: ze hebben nooit bewust geleerd om te leren voor iets en weten niet hoe je dat aanpakt. Dit vertelt in een notendop het belang van zelfregulerend leren.
Zelfregulerend leren houdt in dat leerlingen weten hoe ze moeten leren. Maar dit is maar de helft van de definitie die psycholoog Pieternel Dijkstra en onderwijskundige Petra Bunnik geven in hun boek Zelfregulerend leren. Minstens zo belangrijk is het tweede deel: leren hoe ze zichzelf gemotiveerd weten te houden voor het leren. ‘Als je weet hoe je een taak kunt aanpakken, heb je meer kans op succes en dat motiveert’, licht Bunnik toe. ‘Gebrek aan motivatie is vaker een kwestie van niet weten hoe iets moet dan een gebrek aan interesse.’ Precies, knikt Dijkstra. ‘Dan denkt een leerling: help, daar begin ik niet aan. Dát moet je zien te voorkomen.’
Work in progress
Hoe kun je dat voorkomen? In hun boek geven beide auteurs volop handvatten voor hoe je leerlingen kunt helpen hun eigen leerproces en motivatie te reguleren. Centraal hierbij staan een aantal bewezen effectieve leerstrategieën voor jong en oud. Onderzoekers hanteren diverse indelingen, maar in de kern komen ze op hetzelfde neer. Dijkstra en Bunnik gebruiken de indeling van het Groningse onderzoeksinstituut GION. Deze bestaat uit veertien strategieën verdeeld over vijf domeinen (zie kader).
Vijf domeinen
De 14 leerstrategieën zijn ingedeeld in vijf domeinen:
I. Metacognitieve kennis
- Overzien
- Jezelf kennen
II. Metacognitieve vaardigheden
- Vooruitkijken
- Bijhouden
- Terugkijken
III. Cognitieve vaardigheden
- Herhalen
- Verdiepen
- Structureren
IV. Organisatievaardigheden
- Jezelf organiseren
- Omgeving organiseren
- Anderen organiseren
V. Motivatie
- Jezelf vertrouwen
- Het nut zien
- Jezelf motiveren
Dit is geen rijtje dat je als leraar even kunt afvinken, benadrukt Bunnik. ‘Het brein is continu in ontwikkeling, minstens tot je 25e levensjaar, dus werken aan leerstrategieën blijft work in progress.’ Het beste is dan ook om hier samen met je collega’s aan te werken.
Hoe vroeger je zelfregulerend leren stimuleert, hoe steviger de bodem die je legt voor een leven lang leren. Bunnik verwijst naar het Chinese gezegde dat je iemand die honger heeft, beter een hengel dan een vis kunt geven. ‘Hoe bewuster je leerlingen maakt van hoe leren en motivatie werken, hoe gerichter ze zelf hun leerproces leren sturen.’ Onderzoek laat zien dat als je leerlingen toerust met zo’n hengel, ze niet alleen beter leren, maar ook gemotiveerder raken. ‘Ze krijgen meer vertrouwen in eigen kunnen en zijn minder bang om fouten te maken of te falen’, vertelt Dijkstra.
Het ene domein is voor leerlingen van de basisschool eenvoudiger onder de knie te krijgen dan het andere. Metacognitieve kennis (domein I) ontwikkelt zich bijvoorbeeld pas later. ‘Het ontstaat door veel uitproberen en ontdekken welke manier van leren bij jou past’, legt Bunnik uit. Dat kun je stimuleren door met leerlingen in gesprek te gaan over hun leergedrag.
Veel oefenen
In hun boek geven Dijkstra en Bunnik bij elke strategie volop praktische tips voor leraren.
Neem organisatievaardigheden (domein IV). Dat kun je al vanaf de kleuterklas bevorderen via ‘werkafspraken’ over hoe je met elkaar en spullen in de klas omgaat. ‘Zo werk je aan gewoontevorming’, vertelt Bunnik. ‘Doe zelf veel voor en laat zien waarom iets belangrijk is. Bijvoorbeeld dat je in een opgeruimde kast spulletjes sneller terug kunt vinden. Hang op de kastdeur een foto van hoe je wilt dat die eruit moet zien.’ En oefen gesprekstechnieken om anderen te organiseren. ‘Hoe kan ik een medeleerling bijvoorbeeld vragen om te stoppen met steeds tegen mijn tafeltje te schoppen, zodat ik rustig kan werken? Of hoe en wanneer kun je een medeleerling of leraar om hulp vragen?’
Ook cognitieve vaardigheden, zoals het maken van een goede samenvatting en informatie uit het hoofd leren, moet je leerlingen actief aanleren. Bunnik geeft als voorbeeld de topotoets. ‘Help leerlingen door verschillende manieren aan te reiken hoe ze zich hierop kunnen voorbereiden, bijvoorbeeld elke dag tien minuten herhalen of oefenen met een blinde kaart. Door uit te proberen leren leerlingen uiteindelijk om de manier te kiezen die het beste bij hen past.’
Veel oefenen en voordoen (modeling) is de rode draad, of je nu in de kleuterklas lesgeeft of college geeft in het hoger onderwijs. ‘Als leraar ben jij het rolmodel. Kijk goed wat leerlingen zelf al kunnen en waar je een steiger moet bouwen én waar je deze weer af kunt bouwen’, vertelt Dijkstra.
Motivatie
In de herziene editie van hun boek die binnenkort verschijnt, is veel aandacht voor motiverende didactiek – motiverend voor leerlingen én voor jezelf. Hierbij draait het om een balans tussen gidsen en afstemmen, oftewel tussen structuur bieden en ruimte voor autonomie van leerlingen. ‘Beide zijn nodig’, vertelt Dijkstra. ‘Je biedt duidelijke kaders waarbinnen leerlingen zelf keuzes kunnen maken.’
Om leerlingen te motiveren is het ook belangrijk aandacht te besteden aan het nut van leerstof: waarom leer ik dit en wat kan ik ermee? Natuurlijk vertel je dat bij de start van nieuwe lesonderdelen. ‘Maar als leerlingen zelf dat nut ervaren, motiveert dat het meest’, stelt Bunnik. Ze geeft als voorbeeld het automatiseren van tafels. ‘Cognitief sterkere leerlingen zien daar vaak het nut niet van in. Geef dan bijvoorbeeld een complexere rekentaak waarbij ze inzien dat ze door te automatiseren sneller verder kunnen met de vervolgbewerkingen.’
Verder gaan de auteurs in de editie kort in op AI en hoe je dit kunt inzetten als tool bij zelfregulerend leren. Daarbij haken ze aan bij de nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid en burgerschap. Zo is het mogelijk om met AI korte tussentijdse opdrachten te formuleren die je kunt gebruiken om het begrip bij leerlingen te checken.
Vragenlijst
Dijkstra heeft met Dick Barelds een vragenlijst ontwikkeld die inzicht geeft in de mate waarin leerlingen bepaalde leerstrategieën gebruiken. Deze Nederlandse Vragenlijst voor Effectieve Leerstrategieën (NVEL) bevat 144 stellingen (voor Leerstrategieën 7-8 zijn dat er 138) die leerlingen beantwoorden met ‘ja’, ‘nee’ of ‘weet niet’. Dat zijn best veel stellingen, maar dat was nodig voor een betrouwbaar resultaat. Nu er door veelvuldig gebruik voldoende data beschikbaar zijn, kunnen de ontwikkelaars de diverse varianten (groep 7/8, vo, mbo en hoger onderwijs) qua taal en aantal stellingen beter afstemmen op de onderwijssoort. Onlangs verscheen de aangepaste vragenlijst voor mbo. Mbo-docent Anika Embrechts werkte hieraan mee en is blij met het resultaat. ‘Wij gebruiken de vragenlijst nu als preventieve screening’, vertelt ze. ‘De instroom is qua niveau heel divers. Door alle eerstejaarsstudenten aan het begin van hun studie de vragenlijst in te laten vullen, krijgen we zicht op welke vaardigheden ze al wel en niet in hun rugzak hebben. Zo kunnen we studenten gericht ondersteunen en voorkomen dat ze uitvallen.’ Soms nemen ze de lijst ook individueel af. ‘Een van onze studenten zei: ik heb heel hard gewerkt aan die leerstrategieën, ik ben benieuwd waar ik nu sta.’ In het mbo krijgt niet alleen de studiebegeleider, maar ook de studenten zelf hun uitslag te zien. In het po en vo hoeft dat niet, daar is de leraar nog vooral in de lead. Hoe vaak je de vragenlijst afneemt, ligt aan je eigen doelstellingen. ‘Sommige scholen nemen de vragenlijst aan het begin en eind van het schooljaar af om de groei te kunnen meten’, vertelt Bunnik. ‘De allereerste keer zijn leerlingen heel positief over zichzelf, aan het eind van het jaar weten ze, door de aandacht in de klas voor zelfregulerend leren, wat ze wel en niet kunnen. Dan lijkt het of ze achteruit zijn gegaan, maar feitelijk zijn ze juist gegroeid in zelfkennis.’ En die groei komt het zelfvertrouwen ten goede, weet Embrechts uit haar lespraktijk. ‘Zoals een van mijn studenten zei: “Het is een fijn gevoel dat ik nu weet dat ik het wel kan. Voorheen gaf het me een onzeker gevoel, omdat ik er moeite mee had. Nu is dat onzekere gevoel veranderd in een goed vertrouwd gevoel. Ik ga met iets meer plezier naar school.”’
Naast de vragenlijst hebben de auteurs ook ondersteunend materiaal ontwikkeld: twee sets trainingskaarten waarmee leerlingen en studenten individueel of in groepjes de verschillende leerstrategieën kunnen inoefenen er in de praktijk mee aan de slag gaan en een poster voor in de klas om leerlingen, studenten én leerkrachten en docenten steeds aan de in te zetten strategieën te herinneren.




