Open opdrachten: ruimte geven en grip houden
Bij de volgende opdracht besloot je het anders te doen. Minder chaos, meer richting: ‘Maak een kwartetspel over energiebronnen’. Je had veel tijd gestoken in een goede voorbereiding. De leerlingen gingen meteen aan de slag. Het was rustig in het lokaal en je hoefde slechts een enkele leerling bij te sturen om aan het werk te blijven. De leerlingen werkten snel, maar de kwartetspellen werden slordig gemaakt. Zodra de opdracht klaar was, keek niemand er meer naar om.
Spanning tussen vrijheid en chaos
Veel leerkrachten herkennen deze spanning: ze willen ruimte geven aan leerlingen, maar het kost enorm veel tijd en levert zelden op wat ze hopen. Ook als het de ene keer wel werkt en de volgende keer niet, kun je je afvragen waar het aan ligt.
In dit soort situaties is het verleidelijk om de conclusie te trekken dat het aan de leerlingen ligt: dit kunnen ze nog niet. Toch is bijna nooit het kunnen van de leerlingen het probleem. De kern van het probleem is de manier waarop de opdracht is vormgegeven.
In het eerste voorbeeld is de opdracht te open: leerlingen weten niet goed waar ze aan toe zijn en jij probeert overal tegelijk te zijn. In het tweede voorbeeld heb jij alle keuzes al gemaakt: het is voor de leerlingen meer een invuloefening geworden, ze kunnen zich er niet voor motiveren. Tussen ‘te open’ en ‘schijnbaar open’ ligt een groot gebied waarin leerlingen wel zelfstandig kunnen werken, betrokken raken en tot verrassende resultaten komen.
Balans als sleutel
De sleutel ligt in een goede balans tussen vrijheid en structuur en tussen uitdaging en haalbaarheid. Wanneer de balans klopt, gebeurt er iets bijzonders. Allereerst wordt er geleerd: leerlingen maken de leerstof echt eigen, omdat ze toepassen in een nieuwe, onbekende situatie. Maar er gebeurt meer. Leerlingen worden nieuwsgierig, durven te experimenteren, nemen verantwoordelijkheid en bedenken oplossingen waar jij niet aan gedacht zou hebben. Ze zijn actief betrokken en laten kanten van zichzelf zien die je nog niet eerder zag.
Werken met open opdrachten begint bij het begrijpen van twee spanningsvelden:
- De inhoud: De inhoud van de opdracht moet uitdagend genoeg zijn om de leerlingen te prikkelen, maar niet zo moeilijk dat ze vastlopen. Daarvoor is het belangrijk om te weten hoe denken werkt en wanneer geleerd wordt.
- De vorm: De balans tussen vrijheid en structuur gaat over de vorm van de opdracht. Vrijheid stimuleert creativiteit en eigenaarschap, maar te veel vrijheid leidt tot stuurloosheid. Structuur biedt houvast en richting, maar te veel structuur leidt tot invulwerk.
De twee spanningsvelden beïnvloeden elkaar: een zeer uitdagende opdracht kan haalbaarder worden door meer structuur, terwijl een minder uitdagende opdracht interessanter kan worden door meer vrijheid.
De richting en ruimte die een opdracht biedt, leg je vast in de beoordelingscriteria bij de opdracht. Deze slaan een brug tussen wat de leerlingen moeten leren en de manier waarop ze dat binnen de opdracht kunnen laten zien. De beoordelingscriteria spelen vanaf het begin van de opdracht een belangrijke rol. Ze maken vooraf duidelijk waar de opdracht naartoe werkt, geven richting aan het leerproces, ondersteunen de begeleiding door de leerkracht en zorgen voor een transparante beoordeling
Grip op open opdrachten
Als je begrijpt welke elementen in een opdracht richting geven en wat ruimte geeft, kun je bewuster handelen. Aan de hand van de ontwerpprincipes en bouwstenen uit het boek De kracht van open opdrachten kun je bestaande opdrachten verrijken of nieuwe opdrachten ontwerpen. Bij een bestaande opdracht zie je sneller welke aanpassingen het verschil kunnen maken voor jouw groep en hoe je er grip op houdt tijdens de begeleiding. Je houdt daarbij rekening met wat je met de opdracht wilt bereiken, hoe je wilt vaststellen of dat gelukt is, de vrijheid die de leerlingen aankunnen en de mate waarin hun vaardigheden voor zelfsturing zijn ontwikkeld. Zijn jouw leerlingen helemaal niet gewend aan open opdrachten? Laat ze dan eerst eens kiezen tussen twee opties. Of hebben jouw leerlingen nog moeite met bijvoorbeeld plannen of het reflecteren op hun werk? Dan kun je de opdracht zo aanpassen dat ze daarin een volgende stap kunnen zetten.
Kies het avontuurlijke pad
Iedere groep, leerkracht en situatie is anders, daarom bestaat geen stappenplan van zeven eenvoudige stappen naar succes. Het boek is als een kompas: het helpt je om koers te houden. Je kiest zelf een weg die bij jou en jouw leerlingen past. Het betekent ook dat je soms moet zoeken en bijsturen om de juiste richting te vinden. Je kunt het boek alleen gebruiken of samen optrekken met collega’s. Het helpt je om beter te begrijpen wat je al doet, om te experimenteren en om samen met leerlingen of collega’s te ontdekken wat werkt. Of je nu schoolbreed werkt of alleen begint, of je methodegericht werkt of thematisch: de zoektocht is het plezier en de groei die open opdrachten opleveren meer dan waard. Elke stap kan een verschil maken in de betrokkenheid en zelfstandigheid van je leerlingen.
Welke stap neem jij om morgen meer ruimte in je opdrachten te creëren?
Bekijk het boek: De kracht van open opdrachten