Van weten naar doen: hoe docenten doeltaal-leertaal leren hanteren
In bijna elke lerarenopleiding moderne vreemde talen is het inmiddels gemeengoed: doeltaal = leertaal. Studenten kennen de theorie over tweede-taalverwerving, kunnen Krashen, Long en Swain keurig toelichten en onderschrijven het belang een van rijk taalaanbod, interactie en betekenisvolle output.
Toch zien we in de praktijk iets anders gebeuren. Zodra docenten voor de klas staan, schuift doeltaaldidactiek vaak naar de achtergrond. Onder druk van tijd, toetsstof en klasmanagement voelt het veiliger om terug te vallen op het Nederlands. Niet omdat ze het niet weten, maar omdat het nog lastig is in de dynamiek van de klas.
Handboek doeltaaldidactiek beschrijft precies dit spanningsveld: doeltaal-leertaal is didactisch complex en daarmee allesbehalve vanzelfsprekend voor docenten. De vraag is dan: hoe help je docenten van weten naar doen?
Kwalitatief gebruik van doeltaal
In discussies over doeltaalgebruik gaat het al snel over hoeveel: “Gebruik de doeltaal zo veel mogelijk.” Het handboek schuift die kwantiteitsvraag bewust opzij en richt zich op kwaliteit: wat zegt de docent, hoe zegt zij het, en wat doen leerlingen met die taal?
Kernvragen daarbij zijn:
- Formulering: is de docententaal eenvoudig, duidelijk en herhaalbaar?
- Steun: welke ankers, gebaren, visuals of voorbeeldzinnen helpen leerlingen?
- Structuur: zijn er vaste routines (begin van de les, instructie, checken van begrip, afsluiting) in de doeltaal?
- Tempo en activering: krijgen leerlingen tijd om input te verwerken en om zelf taal te produceren?
Centraal staat het idee van een bewust gekozen corpus: een beperkte set woorden en structuren die de docent doelgericht herhaalt en stap voor stap uitbouwt. Zo ontstaat een veilig “taalbad” waarin leerlingen veel kunnen begrijpen én steeds meer zelf kunnen (en moeten) zeggen.
Drie leerroutines voor docenten
Uit de hoofdstukken over professionalisering en doeltaal-leertaal komt een helder beeld naar voren: docenten leren deze didactiek niet in één keer, maar via kleine, herhaalde stappen.
1. Kijken: gericht observeren van doeltaalgebruik
Voor docenten is leren kijken een eerste stap. Bijvoorbeeld:
- Samen een les (live of op video) bekijken met één focus: Waar gebruikt de docent de doeltaal? Welke steun biedt hij of zij? Wat doen leerlingen daarmee?
- Werken met een eenvoudig observatieschema met kolommen voor docententaal, steun en leerlingreactie;
- Non-verbaal gedrag meenemen: gebaren, mimiek, intonatie als steun voor begrijpelijke input.
Zo wordt doeltaal-leertaal concreet en zichtbaar. De abstracte didactiek wordt teruggebracht tot waarneembaar gedrag in echte lessen.
2. Uitproberen: kleine, haalbare experimenten
Het handboek benadrukt het belang van deliberate practice: doelgericht oefenen op één onderdeel, in kleine stappen. Voor docenten kan dat betekenen:
- Enkele lessen focussen op een vaste doeltaalopening van de les;
- Bewust alle instructies voor één werkvorm in de doeltaal geven, met visuele steun;
- Bij één activiteit gericht werken aan pushed output: leerlingen nét buiten hun comfortzone laten spreken met veel herhaling;
- Bedenk van tevoren een klein corpus van maar 3 woorden: daarmee oefenen binnen het doeltaalgebruik in meerdere lessen is al een hele prestatie.
Belangrijk is dat het experiment klein en haalbaar blijft. Niet “vanaf nu alleen nog doeltaal-leertaal”, maar één concreet voornemen per les waar de docent op terug kan kijken.
3. Samen reflecteren: taal geven aan wat er gebeurt
Reflectie op doeltaalgebruik blijft gemakkelijk vaag: “Ik vergat het weer” of “Het ging wel oké.” Gericht terugblikken (liefst met een video- of audio-opname) helpt dan:
- Wat was je doel met dit experiment?
- Waar lukte het om in de doeltaal te blijven – en waardoor?
- Waar schakelde je over naar het Nederlands – en was dat nodig?
- Wat is één volgende stap voor de volgende les?
Korte, specifieke reflecties sluiten aan bij wat het handboek laat zien: docenten ontwikkelen hun doeltaaldidactiek vooral wanneer ze systematisch kleine ervaringen verzamelen, analyseren en bijstellen.
Binnen de lerarenopleiding: drie praktische tips
Voor studenten in de lerarenopleiding is de opleider zelf een krachtig voorbeeld. Een paar concrete manieren om doeltaal-leertaal zichtbaar te maken:
- Laat zien wat je belangrijk vindt
Lees je als lerarenopleider ook goed in zodat je weet wat doeltaal-leertaal behelst. Gebruik (delen van) colleges en werkgroepen om zelf in de doeltaal te werken. Vereenvoudig en ondersteun je taal, en benoem hardop welke keuzes je maakt: “Dit zeg ik in de doeltaal en ik ondersteun het zo, zodat…”. - Maak doeltaalgebruik een vast onderdeel van lesbezoek
Neem in lesbesprekingen standaard één vraag over doeltaal op. Kijk samen korte videofragmenten terug en focus op wat er talig gebeurt: wanneer werkt de doeltaal, wanneer haakt een klas af, wat helpt? - Ontwerp structurele leerkansen
Verwerk doeltaaldidactiek in opdrachten en portfolio’s. Laat studenten meerdere keren in hun opleiding kleine doeltaalexperimenten plannen, uitvoeren en beschrijven, bij voorkeur in afstemming met werkplekbegeleiders.
Op die manier wordt doeltaal-leertaal een vast perspectief op lessen – in de opleiding én op de stageschool.
Van weten naar doen
Doeltaal-leertaal onder de knie krijgen is voor lerende docenten geen trucje dat je even aan- of uitzet. Het is een leerproces waarin vakinhoud, taalbewustzijn, klasmanagement en professionele moed samenkomen.
Door de focus te verleggen van méér doeltaal naar kwalitatief doordachte doeltaal, en door beginnende docenten te laten kijken, uitproberen en gericht reflecteren, wordt dat leerproces hanteerbaar. Handboek doeltaaldidactiek biedt daarvoor een theoretisch én praktisch kader.
Handboek doeltaaldidactiek
Handboek doeltaaldidactiek laat zien hoe je de doeltaal inzet als krachtig didactisch instrument. Het boek zet de kern van de tweede-taalverwervingstheorie helder uiteen, vult die aan met recente inzichten en verbindt alles direct aan de praktijk van doeltaal-leertaal. Lees meer >