De toepassing van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind in de Nederlandse rechtspraak
Deel IV
Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) is in Nederland in werking getreden op 8 maart 1995. Op basis van artikel 44 IVRK bestaat voor Nederland de verplichting om iedere vijf jaar verslag uit te brengen over de maatregelen ‘die uitvoering geven aan de in het Verdrag erkende rechten, alsmede over de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van het genot van die rechten’. De ontwikkelingen in de jurisprudentie maken tevens deel uit van deze voortgangsrapportage.
Vierde onderzoek, door Centre for Children's Rights Amsterdam (CCRA)
Dit is het vierde onderzoek naar de toepassing van het IVRK in de Nederlandse rechtspraak en beslaat een periode van vijf jaar: van 1 september 2019 tot 1 september 2024. Het onderzoek is ook dit keer verricht door het Centre for Children’s Rights Amsterdam (CCRA).
Een positieve teneur zichtbaar op meer rechtsgebieden
Is zo’n regelmatig onderzoek, afgezien van de internationale verplichting, ook zinvol? In dit vierde onderzoek is duidelijk een positieve teneur waar te nemen. Vastgesteld kan worden dat het Verdrag dertig jaar na inwerkingtreding inmiddels voet aan de grond heeft gekregen en dat met name rechters er meer greep op hebben gekregen. Voor rechtsterreinen waar dat eerder niet gold, werd een beroep op het Verdrag nu vaker gehonoreerd. De rechter heeft duidelijk meer ruimte genomen om het Verdrag toe te passen, nu ook op rechtsgebieden waar dat eerder niet gold, bijvoorbeeld bij huisuitzettingen waarbij kinderen zijn betrokken. Maar ook in het vreemdelingenrecht en het strafrecht is deze positieve teneur nu zichtbaar.
Sterkere werking en gewenning van het Verdrag
Dit onderzoek markeert een versterking van de werking van het Verdrag. Na een periode van verkenning, treedt nu een periode van gewenning in. Zozeer zelfs, dat in veel zaken niet eens meer naar het Verdrag wordt verwezen, maar wel wordt gehandeld in de geest van het Verdrag. Evenals bij de vorige onderzoeken is opnieuw de wens dat dit vervolgonderzoek weer waardevolle aanknopingspunten biedt voor een beter begrip en een beter gebruik van de toepassingsmogelijkheden van het Verdrag, ter wille van een grotere erkenning en bescherming van het kind en zijn rechten.







