Geschiedenis leren zien: beeldgereedschappen
Kinderen ontwikkelen al vroeg een eigen beeld van het verleden. Dat beeld komt niet uit één bron, maar ontstaat gaandeweg uit indrukken, verhalen en voorbeelden. Daarom is het interessant om in de geschiedenisles niet alleen óver het verleden te praten, maar ook te kijken naar hoe beelden van dat verleden worden opgebouwd. In Geschiedenis InZicht wordt dat kernachtig beschreven: leerlingen vormen een persoonlijk concept van (historische) werkelijkheid, en dat kan afwijken van wat op basis van historisch onderzoek aannemelijk is.
Beeldgereedschappen zijn middelen en aanpakken, van voorwerp en prentenboek tot tijdbalk. Denk ook aan het aanbieden van een bron of een klein historisch onderzoekje: ze helpen leerlingen hun voorstelling van het verleden te toetsen en bij te stellen. Neem het hardnekkige beeld dat Vikingen standaard met zwaarden én gehoornde helmen rondliepen. Zulke voorstellingen kunnen ontstaan door ahistorische informatie; historisch onderzoek wijst juist uit dat veel mannen geen helm hadden en dat helmen zonder horens waren. Het gaat dan niet om “een fout plaatje vervangen”, maar om leerlingen te laten ontdekken hoe beelden ontstaan, wat ze suggereren en wat je nodig hebt om ze te begrijpen.
Onderbouw: eerst ervaren, dan verwoorden
In de onderbouw krijgt historisch denken vaak vorm via handelen en zintuiglijke ervaringen. Het uitgangspunt is helder: het ervaren van het verleden is (nog meer dan in de bovenbouw) belangrijk om tot begrip van een tijd te komen. Dat wordt concreet met activiteiten rond “jagers en boeren”: eten zoeken in het bos, potten kleien, “rotsschilderingen” maken en archeologische opgravingen in de zandbak. Zulke ervaringen bouwen een referentiekader op dat later taal en begrippen kan dragen.
Ervaring staat hier bovendien niet los van gesprek en ordening. Prentenboeken kunnen bijvoorbeeld als startpunt dienen, met vragen die het denken over tijd en verandering openen: kun je tijd stoppen door een klok kapot te maken? Wat betekent “tijd maken”? Kun je moderne voorwerpen herkennen die in oude scènes verstopt zitten? En hoe kijk je naar verandering en continuïteit? Zelfs een eenvoudige tijdbalk kan in deze fase al betekenis krijgen wanneer kleuters afbeeldingen op volgorde leggen: eerst dit, dan dat, en waarom eigenlijk?
Midden- en bovenbouw: ordenen, vergelijken, bevragen
In latere groepen verschuift het accent naar ordenen en vergelijken. De tijdbalk wordt daarbij een visueel ordeningsmiddel voor het historische proces, waarbij schaal essentieel is: de verhoudingen op de balk moeten corresponderen met de feitelijke duur van perioden. Een verwerkingsopdracht, bijvoorbeeld, laat zien hoe dat ordenen zichtbaar wordt: leerlingen werken in tweetallen met een tijdbalk op A3 en knippen voorwerpen uit om ze in het juiste tijdvak te plaatsen, van ridder en kasteel tot smartphone, gulden en euro. Het gesprek dat daarbij ontstaat (“waarom hoort dit daar?”) is minstens zo belangrijk als het eindresultaat: het dwingt tot redeneren over tijd, verandering en context.
Historische kaarten krijgen een vergelijkbare functie. Door kaarten van dezelfde plek uit verschillende tijden naast elkaar te leggen (bijvoorbeeld Groningen 1719 en Groningen 2025) wordt verandering letterlijk zichtbaar: wat is gebleven, wat is verschoven, wat is verdwenen? Ook voorwerpen werken als beeldgereedschap: van potscherf en vuistbijl tot afgedankte zwart-wittelevisie of een Coca-Colaflesje. Ze geven houvast om historische vragen te stellen, leerlingen vragen te laten formuleren en te praten over ouderdom, gebruik en vindplaats. Kijken wordt dan onderzoeken: wat zie je, wat denk je te zien, en waar baseer je dat op?
Presenteren: beeldgereedschap als publieke vorm
Wanneer leerlingen hun beeldvorming ook moeten tonen verandert de werkvorm mee. Een expositie of museum op school inrichten kan daarbij een krachtige vorm zijn: leerlingen bepalen samen een thema, denken na over de verhouding tussen objecten en teksten, en kunnen het interactief maken met spelletjes en vragen. De aankleding (bijvoorbeeld met tijdbalken) ondersteunt het historische verhaal dat ze willen laten zien. En de praktische vragen — voor wie is het bedoeld, wie nodig je uit, hoe organiseer je de opening? — maken duidelijk dat geschiedenis hier ook communicatie en verantwoording is.
Neem je dit perspectief mee door de jaargroepen heen, dan zie je hetzelfde principe terugkomen: meerdere beeldgereedschappen laten het verleden vanuit verschillende invalshoeken en standpunten belichten, en zelfs de schoolomgeving kan direct contact met “toen” oproepen. Die lijn krijgt in de herziene editie van Geschiedenis InZicht een duidelijke plek in “Beeldgereedschappen” en de verdieping “Beeldgereedschappen voor jonge kinderen”.
Geschiedenis InZicht
Jan de Bas en Frank Brinkman
Geschiedenis InZicht is een compact handboek dat historische basiskennis combineert met concrete vakdidactiek, in lijn met de vernieuwde kerndoelen Mens en Maatschappij en de kennisbasis geschiedenis voor de pabo. De geheel herziene editie behandelt de geschiedenis van de Lage Landen in zes tijdvakken (met Canon-vensters, kernbegrippen en zelfchecks) en biedt didactische handvatten voor Mens en Tijd: werken met tijdsaanduidingen (tijdbalk/tijdlijn) en bronnen, beschrijven en redeneren, en verbanden leggen met het heden. Met voorbeelden, opdrachten en (reflectie)vragen is het boek direct bruikbaar voor lesvoorbereiding en als naslagwerk. Lees meer >