Inclusief communiceren
Inclusieve communicatie lijkt vanzelfsprekend, maar gaat in de praktijk vaak mis in kleine, onbedoelde momenten. In aannames over wat ‘normaal’ is, in voorbeelden waarin niet iedereen zich herkent, of in taal die neutraal lijkt maar toch uitsluit. De herziene editie van Communiceren laat onder andere zien hoe taal, toon en afstemming daarin het verschil maken. We zetten 5 valkuilen op een rij die zichtbaar maken waar het in de praktijk mis kan gaan.
Je neemt jezelf onbewust als norm
Je eigen manier van praten, reageren, overleggen of feedback geven voelt voor jou ‘normaal’. Je beoordeelt de ander op basis van jouw communicatiestijl, zonder te beseffen dat die stijl zelf óók cultureel gekleurd is.
In de praktijk kun je dan denken aan:
- directe feedback kan door de één als helder worden ervaren, door de ander als hard;
- veel oogcontact kan voor de één betrokkenheid tonen, voor de ander te intens;
- iemand onderbreken om 'tempo te houden' kan voor de ander respectloos zijn.
Je verwart gelijk behandelen met inclusief handelen
Een klassieke valkuil in onderwijs en professionele communicatie is: ’Ik behandel iedereen hetzelfde, dus ik ben inclusief.’ Maar inclusief communiceren vraagt juist om afstemming, bewust afstemmen op wat iemand nodig heeft om goed mee te kunnen doen. Want wie uitgaat van één vaste norm in taal, voorbeelden of omgangsvormen, ziet gemakkelijk over het hoofd dat niet iedereen vanuit dezelfde positie, ervaring of vanzelfsprekendheid deelneemt.
In de praktijk kun je dan denken aan:
- iedereen dezelfde instructie geven, zonder te checken of die voor iedereen even duidelijk en toegankelijk is;
- zeggen dat je ‘iedereen gelijk behandelt’, terwijl sommige voorbeelden, normen of werkvormen vooral aansluiten bij één dominante groep;
- verwachten dat iedere student of gesprekspartner zich op dezelfde manier uitspreekt, reageert of participeert.
Je bent je niet bewust van non-verbaal uitsluiten
Non-verbaal gedrag speelt een grotere rol in inclusieve communicatie dan je vaak doorhebt. Juist omdat veel non-verbale signalen onbewust verlopen, kun je ongemerkt laten zien wie je ruimte geeft, bij wie je je op je gemak voelt en op wie je sneller positief reageert. Inclusieve communicatie gaat dus niet alleen over woorden, maar ook over blikken, houding, warmte en aandacht.
In de praktijk kun je dan denken aan:
- vooral oogcontact maken met studenten of gesprekspartners die op jou lijken of communiceren zoals jij gewend bent;
- warmer reageren op de ene spreekstijl dan op de andere, bijvoorbeeld met meer glimlachen, knikken of geduld;
- iemand inhoudelijk wel ruimte geven, maar non-verbaal laten merken dat diens bijdrage je verrast, irriteert of ongemakkelijk maakt.
Je focust op woorden, maar mist de relationele laag
Inclusieve communicatie gaat niet alleen over wát je zegt, maar ook over wat je boodschap relationeel uitstraalt. Eenzelfde zin kan inhoudelijk neutraal lijken, maar relationeel alsnog afstand scheppen, corrigeren of iemand op zijn plaats zetten. Juist daar ontstaan vaak blinde vlekken: in taal die feitelijk of logisch voelt, maar onderhuids ook communiceert wie zich moet aanpassen, wiens ervaring zwaarder weegt en hoeveel ruimte er is voor verschil.
In de praktijk kun je dan denken aan:
- uitspraken als ‘Zo doen we dat hier nu eenmaal’, waarmee je niet alleen iets uitlegt, maar ook laat voelen dat afwijking ongewenst is;
- reageren met 'Dat moet je niet zo zwaar opvatten', waardoor de ervaring van de ander kleiner wordt gemaakt;
- feedback geven op een manier die inhoudelijk correct is, maar relationeel vooral uitstraalt: pas je aan, stel je niet aan, of jouw perspectief telt hier minder.
Je bedoelt ‘iedereen’, maar spreekt niet iedereen aan
Je kunt denken dat je iedereen aanspreekt, terwijl je taal ongemerkt toch één norm centraal zet. Dat gebeurt vaak in kleine, alledaagse formuleringen: woorden die algemeen lijken, maar waarin niet iedereen zich herkent. Juist daardoor voelt uitsluiting vaak subtiel. Niet omdat iemand bewust buitensluit, maar omdat bepaalde groepen wél als vanzelfsprekend worden benoemd en andere niet.
In de praktijk kun je dan denken aan :
- standaard ‘jongens’ zeggen tegen een gemengde groep;
- telkens uitgaan van ‘hij’ als voorbeeldpersoon;
- spreken over ‘echte Nederlanders’, ‘normale gezinnen’ of ‘de gemiddelde student’
Dat zijn geen enorme missers op papier, maar ze geven wel een signaal af:
wie lijkt hier de standaard, en wie wijkt daarvan af?
Juist daarom is de herziene editie van Communiceren zo relevant: met extra aandacht voor sensitief en inclusief communiceren helpt deze klassieker studenten bewuster af te stemmen op de ander — met oog voor verschil in achtergrond, gender, perspectief en communicatiestijl.
Niet alleen via een apart hoofdstuk daarover, maar door absolute inclusiviteit na te streven met persoonlijke voornaamwoorden, maatschappelijke rollen en zelfs de gebruikte voornamen in de voorbeeldgesprekjes.
Communiceren 5e editie gaat niet alleen over inclusief communiceren maar behandelt ook onderwerpen als lichaamstaal, goede vragen stellen, het succes van luisteren, zelfonthulling, een gesprek beginnen, een gesprek op gang houden, verdiepen en afronden, iemand uitnodigen, positieve of negatieve feedback geven en ontvangen, assertiviteit, nee zeggen, advies geven, overtuigen, slecht nieuws brengen, omgaan met conflicten, onderhandelen, communicatie met een publiek, communicatie via social media.
Een toegankelijk geschreven klassieker binnen het hbo, nu volledig herzien en geactualiseerd om aan te sluiten bij de eisen van vandaag. Vol praktische oefening en voorbeelden in de online leeromgeving.
Meer weten of docentexemplaar anvragen >