Waarom nemen we niet objectief waar?
Stel je voor dat je meedoet aan een experiment. Voor je staan vier glazen frisdrank waarvan de heldere kleuren goed te zien zijn. Je krijgt de opdracht om te bepalen welke smaak elk drankje heeft: kers, sinaasappel, kiwi en witte druif. Dat lijkt geen moeilijke taak. De kleuren geven immers al snel een idee van welke smaak bij welk drankje hoort.
Maar wanneer je de drankjes geblinddoekt moet proeven, verandert dat. Zonder de kleuren te zien blijkt het veel lastiger om de smaken te herkennen. In het experiment lukt het deelnemers nog maar in ongeveer twintig procent van de gevallen om de smaak correct te benoemen. Nog interessanter wordt het wanneer de kleuren van de drankjes worden verwisseld. Zo kan een sinaasappelfrisdrank groen gekleurd zijn en een kiwifrisdrank oranje. Veel deelnemers blijven er toch van overtuigd dat het oranje drankje naar sinaasappel smaakt. De verwachting die ontstaat door wat je ziet, beïnvloedt dus wat je denkt te proeven.
Selecteren uit een overvloed aan prikkels
Een belangrijke reden waarom waarneming niet objectief is, is dat onze zintuigen voortdurend enorme hoeveelheden informatie ontvangen. Geluiden, geuren, kleuren, bewegingen en signalen uit het lichaam komen allemaal tegelijk binnen. Het is onmogelijk om al die prikkels bewust te verwerken. Daarom maken onze zintuigen en hersenen automatisch een selectie.
Veel prikkels worden wel geregistreerd, maar bereiken ons bewustzijn niet. Pas wanneer we ergens bewust op letten, merken we het op. Wat we waarnemen is daardoor altijd een klein deel van alles wat er om ons heen gebeurt.
Vooral veranderingen vallen op
Naast selectiviteit speelt ook adaptatie een rol. Onze zintuigen raken gewend aan prikkels die constant aanwezig blijven. Wanneer een geluid, geur of beeld langere tijd hetzelfde blijft, merken we het steeds minder op. Veranderingen in prikkels vallen juist wel snel op.
Dat is bijvoorbeeld te merken bij een constant geluid. Wanneer een koelkast aanslaat, hoor je dat in het begin duidelijk. Na een tijdje merk je het geluid nauwelijks meer op. Pas wanneer het stopt, valt het weer op.
Waarneming is relatief
Waarneming is bovendien relatief. We nemen dingen meestal niet op zichzelf waar, maar in verhouding tot andere prikkels. Daardoor kan dezelfde situatie door verschillende mensen anders worden ervaren.
Een bekend voorbeeld is temperatuur. Wanneer iemand van buiten naar binnen loopt op een koude dag, kan een kamer warm aanvoelen. Kom je juist uit een warme ruimte, dan kan diezelfde kamer koel lijken. De temperatuur is hetzelfde, maar de ervaring verschilt omdat onze waarneming gebaseerd is op vergelijking.
Verwachtingen spelen mee
Naast wat onze zintuigen registreren, spelen ook kennis en verwachtingen een rol. Psychologen maken hierbij onderscheid tussen bottom-up en top-downprocessen. Bij bottom-up begint waarneming bij de prikkels die onze zintuigen ontvangen. Bij top-down beïnvloeden kennis, herinneringen en ervaringen hoe we die prikkels interpreteren.
Het experiment met de frisdranken is een duidelijk voorbeeld van zo’n top-downproces. De kleur van het drankje roept een verwachting op over de smaak. Die verwachting kan zo sterk zijn dat mensen denken iets anders te proeven dan daadwerkelijk het geval is.
Waarnemen is interpreteren
De verschillende processen laten zien dat waarneming nooit volledig objectief is. Onze hersenen selecteren informatie, reageren vooral op veranderingen en vergelijken prikkels met elkaar.
In Basisboek psychologie legt Jakop Rigter deze processen uitgebreid uit. Hij laat zien hoe selectiviteit, adaptatie, relativiteit en top-downverwerking samen bepalen hoe wij onze omgeving waarnemen. Aan de hand van herkenbare voorbeelden, zoals het experiment met de frisdranken, wordt duidelijk dat onze zintuigen ons niet simpelweg de werkelijkheid laten zien. Onze hersenen geven daar betekenis aan.
