Inclusie vraagt ook om systeem verandering
Voor de auteurs van Diversiteit en inclusie in sociaal werk is dat een belangrijk verschil. Inclusie gaat niet alleen over mensen die buiten een bestaande norm vallen alsnog toegang geven en/of hun achterstanden bijwerken. Het betekent ook kritisch kijken naar de normen en structuren zelf.
‘Wij zijn de langzame groep’
Auteur Marian Dries zag dat 20 jaar geleden al heel concreet terug binnen het hoger onderwijs voor sociaal werk. Ze werkte mee aan een duaal opleidingstraject ‘Maatwerk in Kleur’ voor hoogopgeleide studenten met een vluchtelingen- of migratieachtergrond die in Nederland moeilijk een plek op de arbeidsmarkt vonden. Uiteindelijk moesten deze studenten steeds meer binnen het reguliere onderwijs gaan meedraaien, zonder dat de inhoud en organisatie van het onderwijssysteem veranderden.
Daar ontstonden problemen. Een student vertelde haar tijdens supervisie: “Wij zijn de langzame groep.” Medestudenten wilden volgens hem liever niet met hun groep in projectgroepen samenwerken, omdat zij (studenten met een niet-westerse achtergrond) meer tijd nodig hadden voor de vele schriftelijke opdrachten, reflectieverslagen en onderzoeksverslagen.
Dat voorbeeld veranderde voor Dries de manier waarop ze naar inclusie keek. Want wat betekent ‘langzaam’ eigenlijk? De studenten moesten functioneren binnen onderwijs- en toetssystemen die sterk talig, schriftelijk, cognitief waren ingericht. Bovendien lag er een grote tijdsdruk op de studenten door de vele deadlines die elkaar in korte tijd opvolgden. Wanneer je alleen naar hun prestaties kijkt, kun je concluderen dat zij moeite hebben met het onderwijs. Kijk je naar de inrichting van dat onderwijs zelf, dan ontstaat een andere vraag: voor wie en waartoe is deze manier van leren en toetsen eigenlijk ontworpen?
Volgens Dries werd daardoor tastbaar dat er “echt in het systeem” iets moest veranderen om een sense of belonging en gelijke ontwikkelingskansen te creëren voor verschillende mensen.
Het gaat bovendien niet alleen om studenten met een migratieachtergrond. Dries zag vergelijkbare mechanismen bij bijvoorbeeld studenten die als eerste binnen hun familie hoger onderwijs volgen of studenten met een afwijkende neurodiversiteit. Wat voor de ene student qua leerstijl vanzelfsprekend is, kan voor de ander een wereld zijn waarvan de ongeschreven regels eerst moeten worden ontdekt.
Niet alleen mensen veranderen
Daarmee raakt het voorbeeld aan een bredere gedachte achter Diversiteit en inclusie in sociaal werk. Inclusie wordt volgens Dries soms benaderd vanuit het idee dat iemand afwijkt van de norm en daarom extra ondersteuning nodig heeft om alsnog mee te kunnen doen.
Een inclusievere benadering stelt ook de norm zelf ter discussie. Dries formuleert het in het interview als de bereidheid “ook je eigen systemen te durven veranderen”. Het uiteindelijke doel is niet dat iedereen zich zo goed mogelijk aanpast aan wat er al bestaat, maar dat er structuren ontstaan waarin verschillende mensen daadwerkelijk een eigen plek en gelijke ontwikkelingskansen kunnen vinden. Onderstaand figuur uit het hoofdstuk Werk maken van diversiteit en inclusie in organisaties spreekt in dit opzicht boekdelen.
Voor sociaal werk is dit thema bijzonder relevant. Professionals werken immers niet alleen met individuele hulpvragen, maar ook met de omstandigheden waarin die vragen ontstaan. Uitsluiting kan voortkomen uit persoonlijke interacties, maar net zo goed uit regels, procedures, verwachtingen of een organisatiecultuur die voor sommige mensen veel toegankelijker is dan voor anderen.
Diversiteit en inclusie in sociaal werk helpt studenten daarom niet alleen verschillen tussen mensen te herkennen. Het boek besteedt ook – meer dan in de vorige editie - aandacht aan uitsluitingsmechanismen en aan de vraag wat inclusie van organisaties en professionals zelf vraagt.
Een cliënt is niet uitsluitend een individu met een individuele hulpvraag, maar bijvoorbeeld ook ouder, partner, kind, familielid, buur of onderdeel van een gemeenschap.
Een mens bestaat ook binnen systemen
Tegelijkertijd heeft ‘systemisch kijken’ nog een andere betekenis. Het betekent niet alleen kijken naar instituties en structuren, maar ook naar de relaties rondom een persoon.
Roxane Warring benadrukt in het interview het belang van mensen “echt in hun context” zien. Een cliënt is niet uitsluitend een individu met een individuele hulpvraag, maar bijvoorbeeld ook ouder, partner, kind, familielid, buur of onderdeel van een gemeenschap.
Dat klinkt vanzelfsprekend, maar volgens Warring is veel hulpverlening en sociaal werk nog sterk individualistisch ingericht. Dat sluit aan bij een samenleving waarin autonomie en individuele keuzes veel gewicht krijgen. In andere culturele contexten kunnen familie, gemeenschap en het collectief juist een veel grotere rol spelen. Wat dat betreft doet het Dries deugd dat samenlevingsopbouw binnen het nieuwe Landelijk opleidingsprofiel bacheloropleiding Social Work (Loo Sociaal werk, 2025) weer meer aandacht krijgt.
Nieuwsgierig naar de relaties rondom de cliënt
Ook Marijke Steegstra benadrukt dat je een persoon nooit los kunt zien van de omgeving waarin diegene leeft. “In welke context je bent, bepaalt ook de betekenis die eraan wordt gegeven”, zegt ze. Dezelfde gebeurtenis, keuze of hulpvraag kan afhankelijk van iemands gezin, gemeenschap of culturele achtergrond iets heel anders betekenen. Inclusief sociaal werk vraagt daarom niet alleen dat professionals oog hebben voor verschillen tussen mensen, maar dat zij blijven onderzoeken welke betekenis ervaringen binnen iemands specifieke leefwereld en relaties krijgen.
Wie inclusief wil werken, moet daarom ook nieuwsgierig zijn naar de relaties rondom een cliënt. Wie speelt een belangrijke rol? Hoe wordt binnen een gezin of gemeenschap met problemen omgegaan? Wie wordt betrokken bij beslissingen? En welke betekenis heeft de hulpvraag binnen die bredere context?
Juist daar raken diversiteitssensitief en systemisch werken elkaar. Warring noemt beide werkvelden zelfs benaderingen die elkaar “perfect aanvullen”: systemisch werken helpt om mensen in hun relaties en context te zien, terwijl diversiteit en inclusie ook aandacht vragen voor verschillen en voor mechanismen van uitsluiting.
Wie inclusief wil werken, moet daarom ook nieuwsgierig zijn naar de relaties rondom een cliënt.
Verder kijken dan de individuele cliënt
Die verbinding krijgt in de nieuwe editie van Diversiteit en inclusie in sociaal werk nadrukkelijker ruimte. Waar transcultureel systemisch werken eerder beperkter aan bod kwam, is het nu verder uitgewerkt in een afzonderlijk hoofdstuk. Datzelfde geldt ook voor de intersectionele benadering, de presentiebenadering en de capability-benadering: alle drie benaderingen die het relationeel en contextueel verbinden van mensen centraal stellen. Daarmee onderstrepen de auteurs dat dit geen specialistische kennis is voor professionals die toevallig veel met culturele diversiteit en andere diversiteitsverschillen werken, maar onderdeel hoort te zijn van de basis van sociaal werk waarin het bevorderen van sociale kwaliteit als dé paraplu gezien wordt.
Inclusief sociaal werk vraagt daarmee voortdurend om uitzoomen. Soms om te zien welke structuur iemand belemmert. Soms om de familie, gemeenschap en relaties rondom iemand zichtbaar te maken.
De vraag is dan niet alleen: wat heeft deze cliënt nodig om verder te kunnen? Maar ook: binnen welke systemen en gemeenschappen leeft deze persoon – en wat vragen die systemen en gemeenschappen misschien van óns om werkelijk inclusief te kunnen zijn?